Stichting HypenZo Burgemeester Mollaan 34 | 5582 CK Waalre

Medische Basiskennis en farmacologie

Medische Basiskennis
Lesinformatie
Docent: Ellen van der Helm
Niveau: Basis
Lesdagen: Vijfdaagse
Kosten: € 560,-
Contacturen: 27
Studiebelasting: 168
Lestijden: 10:00 - 17:00 uur
NBVH. studiepunten: 24 PsBK
EC (CPION): 4,4 ECT
Doelgroep o.a.

In het werkveld van de psychosociale hulpverlener wordt steeds duidelijker dat een minimale medische basiskennis onmisbaar is. Kennis over gezondheid en ziekten is zinvol voor de psychosociale hulpverlener omdat een gemeenschappelijke kennisachtergrond en terminologie de communicatie en samenwerking met de reguliere hulpverlener bevorderd. Tevens is een algemeen begrip van klachten en ziekteverschijnselen ook voor de psychosociale hulpverlener relevant in het contact met cliënten. Hiermee maak je kennis in de module Medische basiskennis.

Module medische basiskennisals onderdeel van de opleiding Psycosociale basiskennis

Deze module Medische basiskennis is onderdeel van de opleiding PSBK (psychosociale basiskennis) voor hulpverleners in de psychosociale sector. Hier komen alle PLATO-eindtermen bijeen die gericht zijn op het verkrijgen van inzicht in zowel het functioneren van het gezonde lichaam als ook de biologische mechanismen die ten grondslag liggen aan belangrijke ziekten. Naast talrijke basisbegrippen van de geneeskunde komen in de module medische basiskennis ook diagnostiek, anatomie en pathologie van een aantal relevante lichaamsstelsel aan de orde. Het doel van deze module is een overzicht te geven over gezondheid en ziekte van de belangrijkste orgaanstelsels. Binnen de eindtermen van de module medische basiskennis blijft de leerstof beperkt tot hoofdzaken die noodzakelijk zijn om de fysiologische en pathologische mechanismen te begrijpen.

Daarnaast besteedt deze module medische basiskennis aandacht aan de algemene farmacologie en komen de belangrijkste psychofarmaca en de werking daarvan aan bod.

Kernbegrippen:

  1. Bouw en functie van de luchtwegen
  2. Gaswisseling
  3. Regulatie van de ademhaling
  4. Hyperventilatiesyndroom
  5. Symptomen bij ziekten van de luchtwegen: stridor, dyspnoe déffort, dyspneu de repos, hyperventilatie, cyanose centraal en perifeer, bradypnoe en tachypnoe
  6. Algemene functie zenuwstelsel
  7. Bouw en ligging: centrale zenuwstelsel en perifere zenuwstelsel
  8. Functie animale zenuwstelsel en vegetatieve zenuwstelsel
  9. Zenuwweefsel o Prikkelgeleiding en overdracht: neurotransmitters, netwerkvorming, plasticiteit zenuwweefsel
  10. Bouw en functie van het centrale zenuwstelsel, grote hersenen, tussenhersenen: thalamus en de hypothalamus, hersenstam, kleine hersenen, ruggenmerg
  11. Bouw en functie van perifere zenuwstelsel, incl. reflexen.
  12. Verschillende vormen van hoofdpijn, epilepsie, ziekte van Parkinson, Multiple sclerose, trauma’s, Transient Ischemic Attack, Cerebrovasculair accident.
  13. Epifyse, hypofyse, schildklier, bijschildklier, pancreas, bijnieren, vrouwelijke en mannelijke geslachtsorganen
  14. Diabetes Mellitus
  15. Hypofunctie en hyperfunctie van de endocriene klieren en daaraan gekoppelde ziekten
  16. De werking en de plaats van productie van de volgende hormonen bij de man: FSH, LH, en testosteron.
  17. De werking en de plaats van productie van de volgende hormonen bij de vrouw: oestron (oestrogeen), progesteron, FSH en LH.
  18. Wat er tijdens een menstruatiecyclus gebeurt in de hypofyse, de eierstok en de baarmoeder
  19. Het climacterium en de menopauze.
  20. Medische en psychosociale signalen (zie rode en gele vlaggen)
  21. Farmacokinethiek: resorptie, distributie, transformatie en excretie
  22. Begrippen in de farmacologie: therapeutische breedte, halfwaardetijd, klaring
  23. Werkingsprincipes van een geneesmiddel o Bijwerkingen en interacties
  24. Veranderde werking van geneesmiddelen o Hoofdgroepen geneesmiddelen en vaccinaties: analgetica, antibacteriële middelen., antimyotico, antivirale middelen, antithrombotica, psychofarmaca: ( antipsychotica, antidepressiva, hypnotica/ anxiolytica, overige psychofarmaca), hormonale middelen, antihistaminica, bloeddrukregulerende medicijnen, maagzuurremmers en maagbeschermers, cholesterol verlagers, insuline, cytostatica, vaccinaties .
  25. Benzodiazepinen, antidepressiva, antipsychotica, stemmingsstabilisatoren , psychostimulantie
  26. Motiveren tot gebruik
  27. (Bij)werkingen kennen en hierover informatie opzoeken

Wil je meer informatie over de module Medische basiskennis? Neem dan contact op via het contactformulier.

Pin It

De student:

  1. Kent de basisbegrippen uit de gezondheidsleer en kan deze reproduceren (Gezondheid en ziekte, preventie, curatie, palliatie, symptomen, infectie, klachten, besmetting)
  2. Heeft algemene kennis met betrekking tot anatomie
  3. Kan een definitie van anatomie en geven
  4. Kan de orgaanstelsels van het menselijk lichaam reproduceren
  5. Heeft algemene kennis met betrekking tot fysiologie
  6. Kent en begrijpt wat het begrip homeostase inhoudt
  7. Kan een definitie geven van fysiologie en de subcategorieën (cytologie en histologie)
  8. Kent de definitie van gezondheid en ziekte (WHO)
  9. Diagnostisch proces binnen de geneeskunde
  10. Heeft inzicht in oorzaken van ziekte en reacties op het lichaam
  11. Kan diverse diagnostische methodieken benoemen (Anamnese, lichamelijk onderzoek, observatie en inspectie, auscultatie, percussie, palpatie, aanvullend specifiek onderzoek, laboratorium onderzoek, radiologisch onderzoek)
  12. Heeft inzicht in het diagnostische proces in de geneeskunde
  13. Heeft kennis van de onderbouwing van het medisch algemeen lichamelijk onderzoek
  14. Beschrijft wat de primaire en secundaire ademhalingsfuncties zijn
  15. Weet wat de primaire anatomie is van het ademhalingsstelsel
  16. Weet hoe de ademhaling tot stand komt en gereguleerd wordt
  17. Weet wat zuurstof- en koolstofdioxide-uitwisseling is
  18. Toont inzicht in het hyperventilatiesyndroom
  19. Toont inzicht in de verschillende symptomen (stridor, dyspnoe déffort, dyspneu de repos, hyperventilatie, cyanose centraal en perifeer, bradypnoe en tachypnoe) bij ziekten van luchtwegen
  20. Weet wat het centrale zenuwstelsel en perifere zenuwstelsel is, welke algemene functies van het zenuwstelsel er zijn en waartoe deze dienen
  21. Weet wat zenuwweefsel is en waartoe dit dient; o Weet de betekenis van plasticiteit van zenuwweefsel
  22. Weet hoe prikkels binnen het centrale zenuwstelsel worden overgedragen, wat de kenmerken zijn van prikkelgeleiding en overdracht (neurotransmitters, netwerkvorming)
  23. Weet wat de bouw en ligging is van het perifere zenuwstelsel
  24. Weet wat reflexen zijn en hoe ze werken; o Weet wat de bouw en functie is van het centrale zenuwstelsel: grote hersenen, tussenhersenen: thalamus en de hypothalamus, hersenstam, kleine hersenen, ruggenmerg
  25. Weet wat het animale en vegetatieve zenuwstelsel is en waartoe het dient
  26. Weet pathologische kenmerken te noemen van het zenuwstelsel
  27. Weet wat de kenmerken zijn van verschillende vormen van hoofdpijn, epilepsie, ziekte van Parkinson, Multiple sclerose, trauma’s (Hoofd- en RM-letsels) , TIA en CVA;
  28. Weet de eigenschappen van hormoonstelsel te benoemen (negatieve terugkoppeling, instelwaarde, relatie met Homeostase); o Weet de betekenis van endocriene klieren (Epifyse, hypofyse, schildklier, bijschildklier, pancreas, bijnieren, vrouwelijke en mannelijke geslachtsorganen);
  29. Weet de betekenis van Diabetes Mellitus is en kan de kenmerken hiervan opnoemen
  30. Weet de betekenis van de hypo- en hyperfunctie van de endocriene klieren
  31. Heeft inzicht in de endocriene klieren en gekoppelde ziekten
  32. Kent werking en de plaats van productie van de volgende hormonen bij de man: FSH, LH en testosteron
  33. Kent de werking en de plaats van productie van de volgende hormonen bij de vrouw: oestron (oestrogeen), progesteron, FSH en LH
  34. Weet wat de menstruatiecyclus inhoudt
  35. Wat er tijdens een menstruele cyclus gebeurt in de hypofyse, de eierstok en de baarmoeder
  36. Kan de kenmerken opnoemen van climacterium en menopauze
  37. Kent de medische en psychosociale signalen (rode en gele vlaggen), die aanleiding geven tot doorverwijzing naar een BIG geregistreerde zorgverlener
  38. Kan op basis van de betreffende symptomen en de combinaties ervan conclusies trekken voor verantwoord therapeutisch handelen.
  39. Begrijpt waartoe de medicatie dient
  40. Toont inzicht in de werkingsprincipes; o Kent de begrippen in farmacologie (farmacokinethiek: resorptie, distributie, transformatie en excretie; therapeutische breedte; halfwaardetijd; klaring) van geneesmiddelen
  41. Legt verbanden tussen de medicatie en de effecten
  42. Laat zien dat hij zicht heeft op de bijwerkingen van medicatie
  43. Laat zien hoe hij een cliënt kan motiveren voor gebruik van medicatie
  44. Laat zien dat hij betrouwbare bronnen kan raadplegen aangaande medicatiegebruik
  45. Toont inzicht in de interacties en veranderende werking van geneesmiddelen en kan dit toelichten
  46. Weet welke hoofdgroepen geneesmiddelen er zijn (Analgetica, antibacteriële middelen, antimyotico, antivirale middelen, antithrombotica, psychofarmaca: ( antipsychotica, antidepressiva, hypnotica/ anxiolytica, overige psychofarmaca), hormonale middelen, antihistaminica, bloeddrukregulerende medicijnen, maagzuurremmers en maagbeschermers, cholesterol verlagers, insuline, cytostatica) en de globale werking
  47. Weet welke vaccinaties er zijn en waartoe deze dienen
  48. Begrijpt waartoe de psychofarmaca (Benzodiazepinen, antidepressiva, antipsychotica, stemmingsstabilisatoren, psychostimulantie) dienen en wat de bijwerkingen ervan kunnen zijn
  49. Legt verbanden tussen de medicatie en de effecten
  50. Laat zien hoe hij een cliënt kan motiveren voor gebruik van medicatie
  51. Laat zien dat hij zicht heeft op de bijwerkingen van medicatie
  52. Laat zien dat hij betrouwbare bronnen kan raadplegen aangaande medicatiegebruik

De toetsing van deze module bestaat uit een aantal onderdelen:

  1. Twee schriftelijke tentamens met gesloten kennisvragen, gecombineerd met open vragen, zodat naast reproductie ook toepassing en integratie getoond kan worden.
  2. Mondelinge toelichting op de gegeven antwoorden.
  3. Het maken en presenteren van opdrachten in de lessen.

Het betreft een individuele toetsing, waarbij een weging is gemaakt tussen de open en gesloten vragen. Een toetsmatrijs zorgt ervoor dat de toets valide is. De leerdoelen zijn leidend voor de toetsvragen. De cesuur wordt vooraf bepaald en na afname van de toetsing wordt de cesuur definitief vastgesteld.

Er zullen 2 tentamens worden afgenomen: een voor Medische basiskennis (Anatomie, fysiologie, pathologie en rode vlaggen) en een voor Farmacologie. Tot deze keuze is gekomen, omdat er studenten zijn die mogelijk een vrijstelling hebben m.b.t. MBK, maar wel voor farmacologie getoetst moeten worden.

Per tentamen kunnen 100 punten gescoord worden. Bij 55 punten of meer is een toets voldoende. Beide tentamens moeten met een voldoende worden afgesloten.

De toetsing gaat als volgt: De studenten krijgt 1 of 2 tentamens aan het eind van de 4e lesdag mee naar huis. Thuis worden de tentamens gemaakt en de antwoorden naar de docent gemaild. De 5e lesdag worden de tentamens klassikaal besproken. Een persoon geeft het antwoord, en een ander persoon mag in discussie gaan met de persoon die het antwoord geeft. Er wordt door de docent geen uitspraak gedaan over de juistheid van de gegeven antwoorden. De student mag vervolgens zijn gegeven antwoord nog aanpassen. Na afloop van deze lesdag levert iedereen het tentamen nog een keer in. Deze laatste versie wordt beoordeeld waaruit een cijfer komt.

Voor de beoordeling telt mee:

  1. De juistheid van de antwoorden die gemaild zijn naar de docent
  2. De juistheid en aanpassing van de antwoorden die na afloop van de 5e lesdag zijn ingeleverd
  3. De discussie tijdens de 5e lesdag
  4. De opdrachten tijdens de lessen en de presentatie ervan

Duur van het tentamen is 1 uur voor Farmacologie en 2 uur voor MBK.

Hypenzo is aangesloten bij: